Al walie

Naast die van de Profeet (salallaahoe `alayhie was sallem), is het de plaats die de walies, de heiligen, de geliefden van Allaahu Ta`ala, in de hedendaagse Islamitische maatschappij innemen, die in de ogen van Shaykhu'l Islaam Takiyyu'd dien bin Taymiyyah afbreuk doet aan de erkenning van Allaahu Ta`ala's eenheid, de TAWHIED. De, met letter en geest van Qor’aan en Soennah onverenigbare heiligenverering is volgens hem afgodendienst (Shirk). Daarnaast is het de mateloze zelfverheffing van sommige sufi meesters, die pretenderen een speciale verbinding met Allaahu Ta`ala te bezitten en zich verheven te voelen boven de godsdienstplichten van de door Allaahu Ta`ala geopenbaarde Boek (de Qor’aan) en de Soennah van Zijn Profeet (salallaahoe `alayhie was sallem), die door hen wordt bestreden.

Aan Ibn Taymiyyah wordt de vraag gesteld: Wie zijn de walies van Allaahu Ta`ala? Antwoord: Zij die geloven en Allaahu Ta`ala vrezen (Qor’aan 10; 62-64: (Nederlandse uitleg):

"Weet: voorwaar, er zal geen vrees over de geliefden van Allaah komen en zij zullen niet treuren. Degenen die geloofden en voortdurend (Allaah) vreesden. Voor hen is er de verheugende tijding in het wereldse leven en in het Hiernamaals. De Woorden van Allah kennen geen verandering. Dat is de geweldige overwinning."

Verder Qor’aan 2; 257: (Nederlandse uitleg):

"Allaahu Ta`ala is de vriend van hen die geloven; Hij voert hen uit de duisternis tot het licht ...".

De betekenis van het woord walie geeft ibn Taymiyyah weer door qarieb, "degene die dichtbij is". De betekenis van Walie is dan: degene die zich door het vervullen van de in de Qor’aan en de Soennah voorgeschreven plichten en door het doen van goede werken (`amal-i saalih) nader brengt tot Allaahu Ta`ala, zoals het luidt in de hadieth-i qudsie (Nederlandse uitleg): Van Aboe Hurayra Radia Allaahoe Anhoe Rasoelullaah (salallaahoe `alayhie was sallem) zei: Allaahu Ta`ala zegt:

"Wie een geliefde van Mij tot vijand maakt, die verklaart Mij de oorlog. Mijn dienaar brengt zich slechts nader tot Mij (taqarraba) door het vervullen van wat ik hem als plicht (fardz) heb opgelegd, terwijl hij niet ophoudt zich nader tot Mij te brengen door het doen van vrijwillige gebeden (nawaafil, e.v.: nafilah) werken, totdat Ik hem bemin, zodoende wordt Ik zijn horende oor, ziende oog, grijpende hand en lopende voet. Als hij Mij iets vraagt, zal Ik het hem geven, en als hij zijn toevlucht zoekt tot Mijn, zal Ik hem beschermen. Ik aarzel niet om iets te doen terwijl Ik aarzel om de ziel van de mu'min (gelovige) te nemen, want hij haat de dood en Ik haat om hem te teleurstellen. " (Boechaarie K. ar Riqaaq/B. 38).

Naarmate het geloof (Iemaan) groter en zuiverder is, is ook het walieschap groter en zuiverder. Iedere gelovige is walie, maar men treft onder hen evenveel verscheidenheid aan als onder de gelovigen (mu'minoen), want het geloof is niet een vaststaand ding, dat men al of niet bezit, maar een steeds veranderend goed, dat toe- en afneemt, geheel verdwijnen kan en gemengd kan zijn met onzuiverheden.


Een walie kan elke mu'min zijn. Hier is de walie niet de uitverkorene, voorzien van hoedanigheden, die voor de leek onbereikbaar is en waarvan hij verstoken is. Het bestaan van een bepaald aantal walies is niet mogelijk. Hun aantal is onbepaald, immers het is even groot als het aantal mu'mins. Volgens hem zijn de overleveringen waar gesproken wordt over het aantal walies verzonnen. Hetzelfde geldt ook voor de getallen, genoemd in de verschillende hiërarchieën van walies, die we in werken over de mystiek vinden. Deze hiërarchieën vermelden de rangorden van de walies van de laagste tot de hoogste rangorde.


Niet alleen tegen deze getallen, ook tegen de rangorden richt zich de aanval van ibn- Taymiyyah. Vooral op degene, die aan het hoofd staat van deze hiërarchie, de qutb of khawt, en de macht die de mystici hem toedenken. Ze beweren dat het in stand houden van de mensheid en van de engelen door de bemiddeling van de qutb geschiedt. Hij acht deze bewering van dezelfde aard, als de vergoddelijking van Iesa (Alaihi As Salaam) door de Christenen en die van 'Alie (Radia Allaahoe Anhoe) door de Ultra-Shi'ieten. Het geloven hierin vindt hij ongeloof (kufr). De enige van de namen, die steun vindt in de overlevering is die van de abdaal (vervangers). In de musnad van Ahmad Ibn Hanbal (rahiemehoellaah) een overlevering waarin wordt verteld, dat er in Shaam (huidige Syrië), ten tijde van 'Ali (Radia Allaahoe Anhoe) 40 abdaal waren (Ahmad ibn Hanbal deel I, 112 en deel V, 322). In de verschillende hiërarchieën vindt men dan ook meestal voor het aantal abdaal het getal veertig genoemd.

Ibn Taymiyyah heeft tegen deze overlevering twee bezwaren. Het ene betreft de keten van overleveraars (isnaad), die niet doorloopt, het andere geldt de inhoud van de overlevering (matn). Hij vindt het onwaarschijnlijk, dat deze veertig abdaal zich bevonden in Syrië, d. w. z. in het leger of aan de kant van Mu'awijah (Radia Allaahoe Anhoe), die streed tegen 'Alie (Radia Allaahoe Anhoe). Heeft de Profeet (salallaahoe `alayhie was sallem) in de overlevering de Charidjieten, die in het leger van Mu`awija (Radia Allaahoe Anhoe) bevonden, niet voor ongelovigen verklaard?. (Ahmad ibn Hambal IV;355). En zouden dan onder hen deze walies geweest zijn, wier voortreffelijkheid zo groot was dat hun een aparte naam werd gegeven? Zouden zij niet eerder onder het voor de goede zaak strijdende leger van 'Alie (Radia Allaahoe Anhoe) gezocht moeten worden?. Niet alleen deze speciale soorten van walies aanduidende namen, maar ook de algemene woorden die alle walies omvatten, zoals sufi en faqier, vinden in de ogen van ibn Taymiyyah geen genade.

De geliefden van Allaahu Ta`ala vormen, volgens zijn opvatting, geen aparte klasse van mu'mins. lntegendeel, iedere mu'min is walie. Dus ze hoeven ook geen aparte namen. Het uiterlijk voorkomen en de kleding van de mens heeft niets te maken met zijn innerlijk geloof, zolang men geen door de Shari`ah verboden zaken op dit gebied gebruikt. Het feit dat mystici zich onderscheiden van de rest van de muslims in kleding en houding is onjuist.
In onze tijd is de walie geworden persoon met een lange rozenkrans, grote tulband en wijde mouwen, die zijn bovenkleed laat slepen (volgens de Soennah moet de kleding de hielen vrij laten), zijn hand aan zowel mannen als vrouwen uitstrekt om die te laten kussen. Iemand die zich op een bijzondere manier kleedt, iemand die het geld en goed van de moslims onrechtmatig eigen maakt en iemand wiens verlangen uitgaat naar het afwijken van de Soennah van Rasoel'lullaah (salallaahoe `alayhie was sallem), de bepalingen van de Shari`ah etc. kan nooit een Walie zijn.

Walie's komen onder alle rangen en standen van de ummah (gemeenschap) van Mohammed (salallaahoe `alayhie was sallem) voor, zowel onder Qor’aan kenners en geleerden als onder strijders in de djihaad (heiligen oorlog), soldaten kooplieden, handwerklieden en boeren.

Walie is iedere mu'min en godvruchtige. Wanneer is iemand dan een mu'min? Wanneer hij gelooft in Allaahu Ta`ala, doet wat Hij hem beveelt en nalaat wat Hij verbiedt. Hoe zouden de mensen echter kunnen weten wat Allaahu Ta`ala beveelt en verbiedt als Hij niet mensen gezonden had met een boodschap (risalah), de openbaring (wahie), die Zijn wil uitdrukt? Die mensen zijn Zijn gezanten (rusul e.v. rasoel) en profeten (anbiyaa e.v. nabie). Allaahu Ta`ala gebruikt middelaars (wasaa`it) om Zijn wil over te brengen. Van Allaahu Ta`ala tot de mens is er, ten aanzien van het overbrengen van Allaahu Ta`alas bevel en verbod, bemiddeling.

Het geloof in Allaahu Ta`ala wil dus zeggen het geloof in Zijn middelaars, de gezanten en in de openbaringen. Deze gezanten waren belast met de overbrenging van deze openbaringen. Dit geloof heeft zijn hoogste punt in het geloof in de laatste van de gezanten, gezonden tot de hele wereld, tot mensen en djinns: Mohammed (salallaahoe `alayhie was sallem). Hij is Allaahu Ta`alas laatste middelaar. Wie in hem gelooft, in zijn openbaring en in zijn Soennah, is walie van Allaahu Ta`ala. Door de openbaring is Muhammed (salallaahoe `alayhie was sallem) aan Allaahu Ta`ala verbonden; wie in Allaahu Ta`ala gelooft, gelooft ook in Muhammed (salallaahoe `alayhie was sallem) en omgekeerd. Wie Rasoel'lullaah (salallaahoe `alayhie was sallem) beledigt, beledigt Allaahu Ta`ala. Rasoel'lullaah (salallaahoe `alayhie was sallem) is de laatste middelaar, de laatste van die uitverkorenen, die zonder bemiddeling Allaahu Ta`alas Wil hebben ontvangen. Wie na hem komt ontvangt Allaahu Ta`alas Wil slechts door tussenkomst van hem. Als `Iesaa (Jezus) (Alaihi As Salaam) weer op aarde komt dan moet hij hem ook volgen.

Reacties:

0 reacties:

Een reactie plaatsen